Tuinpark Buitenzorg in Amsterdam-Noord ontstond tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) en is tegenwoordig het oudste volkstuincomplex van de hoofdstad, Amsterdam.

Bij de aanleg van het W.H. Vliegenbos, tussen 1912 en 1917, bleef er aan de zuidkant over de lengte van het bos een brede strook grond onbenut. Wegens voedselschaarste begonnen buurtbewoners, waaronder Jan Hoeksel, op dat stuk grond zelf groenten te verbouwen. (Algemeen wordt aangenomen dat Jan Hoeksel begon op de plek waar nu tuin 57 is.) Aanvankelijk werden volkstuinen trouwens ‘arbeiderstuinen’ genoemd.

In die periode ontstonden her en der volkstuinverenigingen. Ook de gebruikers van het stuk grond langs het Vliegenbos verenigden zich. Op donderdag 19 juli 1917 werd Buitenzorg officieel opgericht.

Tot in de jaren ’50 van de vorige eeuw waren de meeste volkstuinen echte moestuinen. Door de toenemende welvaart verdween de economische functie van de volkstuin en kwam langzamerhand de siertuin op. Tegenwoordig is volkstuinieren meer een vorm van openlucht-recreatie.

In de lente van 1991 betrokken dichter/schrijver Simon Vinkenoog en zijn vrouw Edith een tuin op Buitenzorg. In tegenstelling tot vandaag was er toen geen grote wachtlijst. Er stonden zelfs vele tuinen en tuinhuisjes te koop. Vinkenoog zette op zijn manier Buitenzorg op de kaart. Hij maakte het kleine tuinpark bijzonder voor iedereen, ook voor kunstenaars.

[ N.B. Deze pagina is in ontwikkeling. ]